
Het niet kunnen laten
Het werk van Cerneüs is grotendeels het resultaat van het niet kunnen laten. Het sublimeren van de destructieve neiging die de mens is ingebakken, de drift tot kapot slaan, verscheuren en verbranden, die wij altijd en overal om ons heen waarnemen. Die drift verkeert hier in het tegendeel. Het naar een hoger niveau tillen van deze drift heet creativiteit of scheppingsdrift. “Het is eigenlijk een bezetenheid, de passie om iets te maken dat daarvoor niet bestond. Een soort scheppingsdrift die niet te temmen is, alleen maar uit te vieren tot je er bij neervalt. Je moet er als een onschuldig, naïef kind aan beginnen. Het zit al in je kop als je de steen ziet, maar het moet onder jouw handen zijn vorm nog krijgen.”
Cicero beweerde al dat schrijven is gebaseerd op de kunst van het weglaten. Beeldhouwen en schrijven hebben dus iets van elkaar: hakken en schrappen. De driedimensionale lyriek die uit veel beelden van Rob Cerneüs straalt, doet niets meer vermoeden van de inspanning, het labeur dat het werken met dit weerbarstig materiaal van de kunstenaar moet hebben gevergd. Door de dingen die hij niet laat zien, legt de beeldhouwer het volle accent op wat er overblijft. Zoals de dichter zich beperkt tot de hoogst noodzakelijke woorden, zo legt ook de beeldhouwer zich beperkingen op. Rob Cerneüs is zo een zichzelf beperkende verbeelder, ogenschijnlijk bang dat hij de kijker pijn zal doen met overtolligheden.
Een beeldhouwer leeft pas als hij bekeken wordt, zoals een schrijver pas bestaat als een ander zijn tekst leest. Als de creativiteit werkt, áls die werkt, is het alleen in de waarneming door de ander van het in eenzaamheid geschapen werk. Een beeldhouwer krijgt nooit applaus. Zijn werk ontstaat in de stilte en de duisternis. Het is een onderaards gerommel dat soms lange tijd aan de eruptie voorafgaat. Het komt maar zelden voor dat een scheppend kunstenaar kan zien, of horen, of voelen dat zijn werk iemand emotioneert. Op die schaarse momenten moet hij teren. Hij moet in staat zijn elke morgen weer opnieuw te beginnen, terwijl niemand hem zegt dat hij dat moet doen. Hij moet geloven in zijn werk en toch genoeg relativeringsvermogen bezitten om onder ogen te durven zien dat wat hij nú onder handen heeft wellicht nooit door iemand zal worden bekeken, laat staan gewaardeerd.
Tekst: Stijn Verbeeck